Spoorwegzate Tienen-Hoegaarden

Voorstelling

14,2050 ha.
Erkend als natuurgebied sedert 5 april 2006.
In juni 2007 werd nog 4,47 ha weiland bijgekocht, aansluitend op als natuurreservaat erkend weiland, maar op andere oever.
Het natuurgebied bestaat uit 5 zeer verschillende delen in de vallei van de Grote Gete.

Tussen 1990 en 2004 werden de verschillende delen brokje bij brokje in beheer genomen. Beheer cursief vermeld.

  • Het rangeerstation
    Thermofiele vegetatie, insecten (veel vlinders), spinnen, slakken, vogels. 
    Cyclisch maaibeheer met gradiënt (veel maaien tegen fietspad, weinig tegen beboste talud).
  • De vroegere spoorwegbedding
    Spontane houtopslag. Kruidvlier.
    Fietspad vrij houden, plaatselijk hakken.
  • Twee Ferrarisweilanden, grenzend aan de Grote Gete
    Structuurrijk (greppels en gracht) , plaatselijk soortenrijk.
    Stukje hooilandbeheer, verder hooien en nabegrazen.
  • Een beboste spoorwegberm, aan de Tiense kant van de E40
    Nest- en foerageergelegenheid voor vogels, toevluchtsoord voor insecten in landbouwomgeving. Niets doen.
  • Een holle Geteoever, op de grens van beide gewesten
    Moeilijk toegankelijk
    Niets doen. Zodra mogelijk herinrichten als vispaaiplaats.

De 5 delen worden aan elkaar geregen door de vroegere spoorlijn die Tienen via Hoegaarden en Jodoigne met Ramillies verbond, nu een interregionale fietsroute.

Wandeling

Kan heel het jaar door als landschapswandeling

Het grootste deel van het gebied is goed toegankelijk via de vroegere spoorwegbedding, nu een betonen fietspad. Verder zijn er ook aarden wandelpaden. Daar zijn waterdichte schoenen of laarzen gewenst na regen.

  • april en mei: voorjaarsbloeiers in weilanden
  • juli en augustus: thermofiele vegetatie en vlinders op oude rangeerstation
  • winter: open zicht op wijde omgeving
  • bij regen: (wijngaard)slakken langs de paden

Wandelcircuits van 3 of 5,7 km

Uitgebreide wandelbeschrijvingen vind je hier...

.

Conservators:
Raf Nilis, raf.ukkel@belgacom.net, tel. 016 78 06 85

Meer uitleg over de 5 delen van het natuurgebied:

 

  • Het rangeerstation

Waar nu het containerpark staat, bevond zich het stationsgebouw en de overslagplaats voor de goederen die er gedurende 100 jaar werden gelost en geladen. Hier lag het hart van een bloeiende wijk.


Het voormalige rangeerstation. Foto Esther Buysmans en Jules Robijns

Ons natuurgebied ligt achter het containerpark, op het vroegere rangeerstation. Het typische is de sintellaag van ongeveer 40 cm, die een kalkrijke leemlaag bedekt. De sintels zorgen voor een flinke temperatuurstijging op zonnige dagen. Daarom vind je hier warmteminnende planten als marjolein, kattedoorn en slangekruid. Normaal groeien ze veel zuidelijker. In juni bloeit hier discreet de zeer kalkgebonden en zeldzame bijenorchis.


Knoopkruid, slangenkruid en kattedoorn. Foto's Esther Buysmans en Jules Robijns

In juli overweegt er het blauw van marjolein en knoopkruid, in augustus het geel van havikskruiden, honingklaver en guldenroede. Als in een Zuiders landschap ligt het rangeerstation er doods bij in de winter en laat niet vermoeden dat het volgende lente weer bruist van leven!


Bruin zandoogje op wilde marjolein. Foto Esther Buysmans en Jules Robijns

Het gebiedje is door een aarden wal omgeven. Die komt van de 6m brede strook ernaast, die werd geplagd in 97. Daardoor werd op 2 punten gescoord: de typische vegetatie schoot weer op en het sluikstorten werd tegengegaan.
Om de typische vegetatie te behouden en terug te winnen wordt het deel (ongeveer 1/3) dat dichts bij het fietspad ligt jaarlijks gemaaid, laat in oktober, om de late bloeiers de tijd te gunnen hun zaad te verspreiden. Naar het talud toe, wordt geleidelijk minder gemaaid. Het is de bedoeling dat het rangeerstation een variatie vertoont: arm en bloemrijk tegen de berm, geleidelijk ruigeren naar het talud toe. De ruigere delen zijn een beschutting voor spinnen en insecten die hier met zeer veel soorten zijn vertegenwoordigd.

   
  • De vroegere spoorwegbedding

Op de vroegere spoorwegbedding ligt nu het fietspad uit beton. Voorbij het rangeerstation vormen de bermen een tunnel van spontane boomopslag. Wie zijn kennis van inheemse boomsoorten wil testen krijgt de kans! Je vindt er boswilg, schietwilg, meidoorn, hazelaar, rode kornoelje, es, haagbeuk, vlier, kardinaalsmuts,… Je ziet er hoeveel de bomen gegroeid zijn sedert in 1970 de treinsporen werden verwijderd. Bosrank slingert er meer dan 10 m hoog als in een oude Tarzanfilm. In de buurt van een spoorwegbrugje vind je grote plekken Kruidvlier. De bovengrondse delen sterven elke winter af. Bloesems en bessen gelijken op die van gewone vlier, maar zijn giftig!
Nadat het geregend heeft heb je veel kans wijngaardslakken te zien.
Het beheer bestaat erin de fietsroute vrij te houden, verder mag de begroeiing ongeveer haar gang gaan. Omdat de kruidvlier – een plant van de bosrand – de concurrentieslag met de grote brandnetel zou winnen, wordt ook plaatselijk gekapt.

   
  • Twee Ferrarisweilanden, grenzend aan de Grote Gete.

Rond 1776 liet de Oostenrijkse graaf de Ferraris de Nederlanden in kaart brengen.
Op die kaarten zijn de weilanden uit ons huidig natuurgebied als weiland ingekleurd. Dat bleven ze ononderbroken tot nu.

Het kleinste weiland, ligt het dichtst bij Hoegaarden, tegenover een kasteeltje aan de overzijde van de Gete. Er loopt een aarden pad langs dat op het fietspad begint en eindigt.
Je merkt er de oude greppelstructuur. Deze zorgt voor kleine verschillen in microklimaat en dus meer biodiversiteit.
Het wordt gehooid en nabegraasd. De landbouwer, met wie we een overeenkomst hebben, doet het werk en houdt de opbrengst, maar mag geen chemicaliën gebruiken, niet bemesten en de dieren ook niet bijvoederen. Het is immers de bedoeling het weiland armer te maken, zodat de opbrengst verlaagt en de soortenrijkdom toeneemt.

Het grootste weiland, grenst aan het fietspad en de Gete en ligt het dichtst bij de E40.
Merk op hoe de oude greppelstructuur hier duidelijk bewaard werd. Een gracht in het laagste deel van het weiland zorgt voor afwatering en mondt stroomafwaarts uit in de Gete. De rivier heeft oeverwallen gevormd. De gracht loopt in het laagste deel van de komgronden. In de afvoergracht hebben we een dammetje aangelegd. Dit om het gebied te vernatten. Daardoor krijg je meer zeggesoorten, meer watervogels die er kunnen foerageren, meer kikkers en libellen!
Nu reeds vind je in deze weide dotterbloem, pinksterbloem, echte koekoeksbloem, knolsteenbreek,…
Ook dit weiland wordt in afspraak met een landbouwer gehooid en nabegraasd. Enkel het meest waardevolle stukje niet. Daar is kwel: het water, dat mogelijk van zeer ver komt en jaren onderweg is, komt er uit de grond. Op zulk een plaats kan je planten verwachten die elders niet voorkomen. Het stuk ligt naast het fietspad op het meest naar Hoegaarden gelegen deel. Het wordt als hooiland beheerd. Dat wil zeggen dat het niet door de landbouwer, met zijn zwaar materiaal wordt gemaaid. Daarvoor is het te drassig. De werkploeg van Natuurpunt maait met lichter materiaal (maaibalk) en het afvoeren van het maaisel gebeurt door vrijwilligers tijdens de 'werkdagen'!

   
  • Aan de Tiense kant van de E40: een beboste spoorwegberm, die rond 1866 op de omgevende valleigronden werd gelegd.

Deze bosstrook is een schuil- en broedplaats voor vogels. Hier werd ook het kalkdoorntje gevonden, een zeldzame sprinkhaan.
Het beheer bestaat uit niets doen, behalve de takken verwijderen die op de omliggende akkers zouden terechtkomen.

   
  • Een holle Geteoever, 800m achter het containerpark, richting Namen, op de gewestgrens. Moeilijk toegankelijk. Ligt op de rechteroever, laarzen nodig.

Bedoeld als vispaaiplaats en werd aangelegd door de ruilverkaveling. Werkt voorlopig niet, omdat de Gote Molen in Hoegaarden niet meer opstuwt, waardoor de paaiplaats droog ligt. Nochtans is ze erg belangrijk om het streekeigen visbestand op een natuurlijke wijze op peil te houden.

   

Tekst en figuren: Roland Grugeon en Raf Nillis